TEKSTEN

Achttien jaar – A’k ’t kon zou’k ’t doen – Alles doet me denken aan jou – Aover en uut – Bidden op de fiets – Bidden op de fiets (streektaalversie) – De jukebox – Dit is het moment – Edeltraut – Eskimo calypso – Gi-j bun wat ik wil – Henk-Jan – Herfstdeerntje – Ik ben m’n hart verloren – Ik was overal al – Kleine man – Land aon de grens – Mien hart is niet van gold – Negentien – Nooit ver weg – Rivier – Rosalien – Schuilen voor de wind – Spiek – Stap veur stap – Stap voor stap – Tussen nu en nooit – Vergaet mien niet a’s ik weg bun – Zwak, ziek en misselijk: scrollen maar!

Achttien jaar

Je lachte, je grapte, de moppen die je tapte
die schudde jij voor ons uit je mouw
Als een oudere broer was jij voor je vrienden
de man die alles wel regelen zou

Een clown van buiten, maar heel diep van binnen
bloedde je hart, zo’n angst en verdriet
Ik was te jong nog toen, om het te begrijpen
jouw eenzaamheid die zag ik toen niet

Je hebt toen jouw leven teruggegeven
Jouw leven, het was je te zwaar
En je bent jong gebleven, aan het eind van je leven
was jij een jongen nog, van achttien jaar

Ik ben nu zesenveertig, hoe zou het zijn
als ik jou nog eens kon ontmoeten op straat of in de trein
Zou ik jou herkennen, zou jij aan mij kunnen wennen
zou je nog steeds een lachebek zijn

Zou je kinderen hebben, een vrouw, een mooie baan
zou je grapjes vertellen en voor je vrienden klaar staan
Misschien een baard en een buikje en vast wat grijs haar
je zou nu een man zijn, achtenveertig jaar

Maar je hebt ooit jouw leven teruggegeven
Jouw leven, het was je te zwaar
En je bent jong gebleven, aan het eind van je leven
was jij een jongen nog, van achttien jaar

Maar je hebt ooit jouw leven teruggegeven
Jouw leven, het was je te zwaar
En je bent jong gebleven, de rest van mijn leven
zul jij die jongen zijn van achttien jaar

A’k ’t kon zou’k ’t doen

Ik lees de wensen van je ogen, ik laat sterren voor je schijnen
Ik loop de wereld voor je over, ik laat je zorgen snel verdwijnen
Ik zing de sterren van de hemel, ik lok vogels in hun vlucht
Ik vind de mooiste diamanten, ik draag de bergen op mijn rug
Er is niets wat ik zal laten om jou voor mij te winnen
Ik zal nooit te vroeg gaan slapen, ik zal je eindeloos beminnen
Ik draag het water naar de zee
en als men mij een bier aanbiedt dan zeg ik: Doe maar thee

Ik doe alles wat ik kan om jouw hartje te behagen
Ik loop je achterna, ik zal de boodschappen wel dragen
Ik hou de deuren voor je open, ik zal altijd van je hou’en
Nooit meer ben ik bezopen, ik kijk niet naar andere vrouwen
Er is niets wat ik zal laten om jou voor mij te winnen
Ik zal nooit te vroeg gaan slapen, ik zal je eindeloos beminnen
Ik draag het water naar de zee
en als een vrouw zich aanbiedt dan zeg ik dapper: Nee

En soms na die al die jaren lijkt de romantiek bedaard
maar zo nu en dan voel ik het vuur dat weer oplaait

Ik doe alles wat ik kan om jouw hartje te behagen
Ik loop je achterna, ik zal de boodschappen wel dragen
Ik hou de deuren voor je open, ik zal altijd van je hou’en
Nooit meer ben ik bezopen, ik kijk niet naar andere vrouwen
Er is niets wat ik zal laten om jou voor mij te winnen
Ik zal nooit te vroeg gaan slapen, ik zal je eindeloos beminnen
Ik draag het water naar de zee
en als we op vakantie gaan dan mag je moeder mee

A’k ‘t kon zou’k ’t doen maar ik ben een grote oen
maar a’k ‘t kon zou’k ’t doen

Alles doet me denken aan jou

Ik rij zomaar wat rond, ik kom door het dorpje
waar jij als meisje hebt gewoond
Je fietste door deze straat met jouw zusje achterop
samen op weg naar de basisschool

Alles doet me denken aan jou

Onze eerste wandeling, ik weet het nog goed
ik wilde je hand pakken, maar mij ontbrak de moed
En daar is het strand, bij die rivier
weg onzekerheid, we hadden zo’n plezier

Alles doet me denken aan jou

En hier in dit café voelde ik voor het eerst je hand
zo zacht in de mijne, ik zag je van je allermooiste kant
En op de radio klinkt een lied, waarop we ooit dansten
zoiets vergeet je niet

Maar ik weet niet of ik het over zou willen doen
Ik geef toe: je bent weg
Het wordt nooit meer als toen

Alles doet me denken aan jou

Aover en uut

Veurda’k ow laerde kenne was mien waereld nog rond
Ik laefde kats tevraeje, a’s ’n vlooi op een hond
Maor niks was meer gewoon vanaf dat ik ow zag
’t kon gin toeval zien, hier he’k op gewach
Ik dach bi-j mien eiges: Waor kom gi-j vandaon?
Mien waereld vlaog veur altied uut de baon

Wi-j hadden een mooie tied, gin wolk aan de luch
een straolend blauwe haemel, alles waor je maor um vrug
en toch kreeg ik een gevuul, dat ik nie duie kon
en langzaam maor heel zeker schaof een wolk veur de zon
Gi-j nam mien bi-j de hand, gi-j zuchtte haevig diep
Gi-j zei: Ik mot ow iets zegge wa’k ok eiges nie begriep

Maor het is ’t aover en uut, aover en uut
het is veurbi-j, ’t gevuul bun ik kwiet
En ik wit nog goed wat gi-j toen zei:
‘t Is aover en uut, veurbi-j

‘t Ging nog een hötje deur, ’t ging een paor keer aon en uut
En a’k hil eerlijk bun was de foem er ok wel uut
Maor dat mooie gevuul, dat kon ik nog nie misse
’t was zo echt en puur, ik zal mien toch nie vergisse
Wi-j martelde maor deur totdat ’t zaeker was:
Mien wereld dre-jt gewoon weer um zien as

En now bun ik dan older, soms denk ik: ’t Had gekund
‘t is anders gelope, ’t was ons niet gegund
En a’k now aon ow dink vuul ik soms een bietje pien
zo’n gevuul van wat zund, ’t had ok anders können zien
Maor een ding nim ik met al word ik honderd jaor:
Da’ gevuul van heure bi-j elkaor

Bidden op de fiets

Ooit ben ik gedoopt, ‘k heb de communie gedaan
maar toch heb ik mijn twijfels of er meer kan bestaan
dan het leven dat ik leef, of er iets is of niets
Ik heb geen idee, toch bid ik op de fiets

Want de wereld is mijn klooster, mijn heilige plek
en als je dat raar vindt, nou dan ben ik maar gek
En als je het me vraagt, dan geloof ik in niets
maar ik kan het niet laten, ik bid op de fiets
Ik denk en ik zing en ik bid op de fiets
dan geloof ik in alles, dan geloof ik in niets
Ik bid voor het water, het land en de lucht
voor de mensen en de vogels: Hé, goeie vlucht!

Het gaat als vanzelf, met mijn hoofd in de wind
de geest gaat dan waaien, zo vrij als een kind
Het verleden en de toekomst passeren de revue
terwijl ik besef: hier fiets ik nu

De wereld is mijn klooster, mijn heilige plek…

Ik bid voor de aarde, waarop ik rij
ik bid voor de dieren, het paard in de wei
voor de mensen die ik mis, die waar ik van hou
Ik bid voor mezelf en ik bid voor jou

De wereld is mijn klooster, mijn heilige plek…

Bidden op de fiets (streektaalversie)

Ooit bun ik gedoopt, ‘k hed de communie gedaon
maor toch heb ik mijn twiefels of er meer kan bestaon
dan het laeven dat ik laef, of er iets is of niets
Ik hed gin idee, toch bid ik op de fiets

De wereld is mien klooster, mien heilige plek
en a’j da’ raor vien, nou dan bun ik maor gek
En a’j ’t mien vraog dan geleuf ik in niets
maor ik kan het niet laoten, ik bid op de fiets
Ik dink en ik zing en ik bid op de fiets
dan geleuf ik in alles, dan geleuf ik in niets
Ik bid veur het waoter, het land en de lucht
veur de minsen en de vogels: Hé, goeie vlucht!

Het geet a’s vaneiges, mien hoofd in de wiend
de geest geet dan waeien, zo vri-j als een kiend
’t Verleejen en de toekomst passeren de revue
terwijl ik ‘t vuul: hier fiets ik nu

De wereld is mien klooster…

Ik bid voor de aerde, waorop ik ri-j
ik bid voor de dieren, het paerd in de wei-j
veur de minsen die ik mis, die waor ik van hou
Ik bid veur mien eiges en ik bid veur ow

De wereld is mien klooster…

De jukebox

In het café van mijn vader hing een anker aan de muur
daaronder stond een jukebox en die speelde menig uur
Een plaat voor een kwartje, vijf voor een piek
Mensen pak wat kleingeld en zorg voor de muziek

Op b6 zit de nieuwste van Heino, een lied van geluk en verdriet
‘t Allermooist van een jukebox is dat je Heino niet ziet

’s Avonds in m’n bed, de haren nog nat
dan hoorde ik de jukebox, want dat ding dat stond zo hard
Ik hoopte op de laatste hit, en alstie kwam had ik zo’n pret
dan zong ik zachtjes mee vanuit mijn kinderbed

Op b6 zit de nieuwste van Heino, een lied van geluk en verdriet
‘t Allermooist van een jukebox is dat je Heino niet ziet

Maar je weet wel hoe het gaat, aan alles komt een end
Na velen jaren zwoegen sloot mijn vader de tent
De jukebox werd verkocht voor zo’n honderd piek
Het einde van de jukebox maar niet van de muziek

Het café werd gesloten en de jukebox, die zag ik nimmer weer
maar de liedjes uit mijn kindertijd die vergeet ik nooit meer

Dit is het moment

Tijd is geld, alles gaat zo vlug
geen minuut komt ooit terug
We jakkeren het leven door
nemen nergens de tijd meer voor
maar zet de klok heel even stil
want er is iets wat ik je zeggen wil

Dit is het, dit is het moment
Dit is het, dit is het moment
waarop ik zo lang heb gewacht
toch kwam het nog onverwacht
Maar dit is het, dit is het moment

Ik was zo dom, te blind misschien
jij was hier al die tijd, maar ik heb nooit gezien
hoe puur en mooi je bent
de allerliefste die ik ken
maar geluk komt nooit te laat
‘k heb een gevoel dat nooit meer over gaat

Dit is het, dit is het moment
Dit is het, dit is het moment
waarop ik zo lang heb gewacht
toch kwam het nog onverwacht
Maar dit is het, dit is het moment

Kom eens hier, hou me stevig vast
Niemand die beter bij me past
Je ogen, je handen, je mond
ik kan niet anders, ik kus de grond
ik kus de grond waarop je gaat
‘k heb een gevoel dat nooit meer over gaat

Dit is het, dit is het moment
Dit is het, dit is het moment
waarop ik zo lang heb gewacht
toch kwam het nog onverwacht
Maar dit is het, dit is het moment

Edeltraut

Ik heb een deerntje uut ’t buteland
er stond een advertentie in de krant
Ik stuurde snel ‘n mooie liefdesbrief
en zo vond ik mien lief

Ze kump van net hier aover de grens
Um heur te kriege was mien grootste wens
En ok al kump ze niet bi-j mien vandaon
ik kan mien deerntje goed verstaon

Wi-j spraeke gin Swahili, gin Russisch,
gin English of Tahities
en toch lup alles glad
Wi-j spraeke gin Arabisch, gin Tsjechisch,
gin Polisch of Mongolisch,
nae, thuus praote wi-j plat

Denn meine Braut hiet Edeltraut
In Elte hemme wi-j een huus gebouwd
En dat huus hemme wi-j volgestouwd
met meubeltjes van Schwarzwälder eikenhout

Exotisch kaoke doet mien Edeltraut
’s aoves he’t ze weer wat fijns gebrouwd
Dikke knödels en een Schweinebout
oder ein Kotelett mit Sauerkraut

Ik hou zo veul van mien Edeltraut
dat het mien soms welles wat benauwd
Soms is ze lief en soms is ze stout
a’s ze mien waer haevig op de Pauken houwt

Eskimo calypso

Het licht in jouw ogen is koud als de noorderzon
Zonder mededogen, zonder pardon
De enige vrouw van hier tot aan de horizon
Ik wil je ontdooien ik wou dat ik dat kon

Kom in mijn iglo, hier is het knus, dus
Als jij die koude ogen sluit krijg jij van mij een Eskimokus

Mijn hart staat voor jou in vuur en in vlam
Ik wil je ontdooien als een visstick in een koekepan
En als je dan ontdooit bent, toon me dan je pracht
Dan ben ik jouw kapitein Iglo vannacht

In mij ontbrandt nu een laaiend liefdesvuur
Het is hier al zo warm, het behang druipt van de iglomuur

De poolnacht die duurt hier minstens een half jaar
We hebben dus tijd zat schat, we komen minstens een keer
Naar buiten waar de zeekoeien loeien en de pinguïns fluiten

En als je wakker wordt dan maak ik je blij
Met versgeperste sneeuwballen en een halfzacht pinguïnei

En als je dan nog trek hebt, braad ik voor jou een ijsbeerbout
Schat ik beloof je, je krijgt het nooit meer koud
Nooit meer koud, nooit meer koud

Gi-j bun wat ik wil

A’s junkse van een jaor of vier wou ik een ni-je fiets
en laoter wou’k een brommer, want een fiets dat is toch niets
Nog weer laoter ha’k een goeie baan en een auto veur de hut
alles ha’k goed veur mekaor, ik dacht: Jao, dit is ut

Ik mos flink veur ow vechten, dat geef ik wel toe
maar gi-j was de moeite weerd, al was ’t een gedoe
Ik wilde alles veur ow laote en alles veur ow doen
en niks was meer het eigeste, nao d’n eerste zoen

Ooit kwam gi-j veurbi-j, de wereld stond toen stil
en ik wist het zeker: gi-j bun wat ik wil
Da’s wat ik wil, da’s wat ik wil
a’s ik bi-j ow bun steet de wereld stil
Da’s wat ik wil, da’s wat ik wil
Ik kiek niet meer achteröm want gi-j bun wat ik wil

Veul jaore zien verstreken, nooit niet had ik spiet
en ok al he’ gi-j ok ow straeke, ik zing veur ow dit lied
Wi-j daelen onze vreugde, wi-j daelen ons verdriet
en wi-j daelen nog veul meer, maor da’ wil ik hier niet kwiet

Nu zien wi-j altied samen, wi-j daelen ons geluk
en ’t geluk dat blief wel heel, alleen ’t servies geet soms nog stuk
Maor dan ri-je wi-j samen naor de woonboulevard
en dan kopen wi-j een ni-j servies, wat wi-j houwen van elkaar

Ooit kwam gi-j veurbi-j…

A’s ik alles zou verliezen, duut mien dat veul verdriet
maor zo lang a’s ik ow heb, bun ik niet alles kwiet
Want de grootste schat ter wereld, dat bun gi-j, mien schat
Zolang gi-j bi-j mien bun, hed ik altied wat

Ooit kwam gi-j veurbi-j…

Henk-Jan

Een poedel wordt nooit een teckel, de paus wordt nooit imam
Dus vrouw, accepteer uw man, Pieter wordt nooit Henk-Jan
Een eik wordt nooit een linde, een kikker wordt nooit een prins
Dus vrouw, accepteer uw man, Pieter wordt nooit Henk-Jan

Rupsen worden vlinders, uilskuikens worden wijs
’t Is een wonder dat kan, maar Pieter wordt nooit Henk-Jan

Een guppy wordt nooit een walvis, een eend wordt nooit een zwaan
Dus vrouw, accepteer uw man, Pieter wordt nooit Henk-Jan
Een duppie wordt nooit een kwartje, Vitesse wordt nooit kampioen
Dus vrouw, accepteer uw man, Pieter wordt nooit Henk-Jan

Eitjes worden kippen, Kelly was ooit een man
’t Is een wonder dat dat kan, maar Pieter wordt nooit Henk-Jan

Dus lach om zijn flauwe grappen, accepteer zijn scheten in bed
De haren uit zijn oren, en dat lekkere randje vet
En hij zal u nooit begrijpen, als u ja zegt en nee bedoelt
Want een man is maar een man, Pieter wordt nooit Henk-Jan

Hippies worden yuppies, van water maken ze bier
’t Is een wonder dat kan, maar Pieter wordt nooit Henk-Jan

Ik roep het zo hard ik kan, Pieter wordt nooit Henk-Jan
Ik roep het met duizend man, Pieter wordt nooit Henk-Jan
Pieter wordt nooit Henk-Jan

Herfstdeerntje

Zoa’s elk naojaor weer vallen alle blaedjes neer
mien gedachten gaon terug naor die tied
toen wi-j nog zo kienderlijk waoren, jong van hart en jong van jaoren
jong van geest, gin besef van tied

En ik zie ow daor nog zo staon, in die boomrieke lange laon
de wiend speulde vrolijk met ow heur
Gi-j keek mien in de ogen en ow lippen die bewaogen
maor wat gi-j zei-j da’ kon ik niet verstaon

Want ging steeds harder waeien, alles ging draeien
en tegeliekertied stond de wereld stil
Ik kon niet langer dinken, ik kon alleen maor vulen:
Dit is alles wat ik wil
En ik zal het nooit vergaeten, gi-j staot in mijn ziel gekerfd
gi-j bun veur altied mien deerntje van de herfst

En ik zie ow daor nog zo staon, ow lief zacht tegen het miene aon
mien handen speulden vrolijk met ow heur
Nooit eerder ha’k ow zo gezien
en ik wist: gi-j heurt bi-j mien, wi-j heuren bi-j elkaor

En het ging steeds harder waeien…

De jaoren zien voorbi-j gegaon, soms kom ik nog wel ‘ns deur die laon
mien gedachten gaon terug naor die tied
toen wi-j nog zo kienderlijk waoren
jong van hart en jong van jaoren
Die herinnering, die wil ik nooit meer kwiet

Ik ben m’n hart verloren

Ik ben mijn hart verloren, en weet je wat het is
ik had het niet eens door, in had ‘m niet gemist
Ik ben mijn hart verloren, het viel zomaar op de grond
Ik ben mijn hart verloren, maar ‘k ben blij dat jij ‘m vond

Er werd bij me aangebeld, daar stond een mooie vrouw
ze zei: Ik heb iets gevonden, volgens mij is het van jou
Ze stond daar met een doosje, daarin lag een orgaan
keurig netjes afgestoft, van spinnenrag ontdaan

Je stond daar met mijn hart, met een strik erom
Ik zei: Je krijgt een kopje koffie, als je binnenkomt
En jij kwam bij me binnen, mmm, je weet niet hoe
Mijn hart begon te bonzen, ik gaf er meteen aan toe

Ik ben mijn hart verloren, maar jij bracht ‘m voor me mee
Nu heb ik geen hart, nu heb ik er wel twee
Mijn hart verloor ik vaker, nu verlies ik ‘m aan jou
Jij mag mijn hart hebben, omdat ik van je hou

Jij mag mijn hart hebben, het is iets dat ik graag deel
Toch heb ik een verzoek: hou mijn hart een beetje heel
want een gebroken arm of been, dat is echt niet fijn
maar een gebroken hart, dat doet nog veel meer pijn

Ik ben mijn hart verloren, gewoon door domme pech
maar je bracht hem bij me terug, en nu ik doe ‘m nooit meer weg
Ik ben mijn hart verloren, het viel zomaar op de grond
Nu voel ik me herboren, ik ben blij dat jij ‘m vond

Mijn hart verloor ik vaker, nu verlies ik hem aan jou
Jij mag mijn hart hebben, omdat ik van je hou

Ik was overal al
(Bewerking van I’ve been everywhere van Geoff Mack)

Op een mooie dag was ik met de fiets op pad gegaan
Onderweg zag ik een aardig stel en die hielden mij toen even aan
Ze zeiden: “We zijn de weg kwijt, we weten niet meer waar naar toe,
We willen weer naar huis toe, maar we weten echt niet hoe.”
Ze keken me hoopvol aan  en vroegen: “Kent u hier de weg?”
Ik zei: “Ik bun hier geboren, ik ken elke heg en steg!”

Ik was overal al, ik was overal al
Langs rivier en stuwwal, ik was overal al
Ik fietste overal al, ik was overal

Babberich, Emmerich, Doetinchem, Westervoort
Ooy, Loil en Oud-Zevenaar
Doesburg, Nieuw-Wehl, Lathum, Giesbeek
Duiven, Groessen,  Lobith, Tolkamer
Herwen, Aerdt, Pannerden en Spiek
Zevenaar, Loo en Ni-j Diek

Ik was overal al, ik was overal al…

Loerbeek, ‘s-Heerenberg, Stökkum, Azewien
Wehl en Beek en Braamt en Zeddam,
Hummelo, Angerlo, Hengelo, sowieso
Hoog-Keppel, Laag-Keppel, Hoog-Elten, Laag-Elten
Kilder, Didam en de Diemse Hei
Oh wat zijn wij heden blij

Ik was overal al, ik was overal al…

Kleine man

Mijn mama had eerst een dikke buik
daar zat mijn zusje in, die is er nu net uit
De visite staat vertederd rond de wieg
iedereen ligt in katzwijm, maar mij zien ze niet

Vroeger lachte iedereen als iets deed of zei
maar nu kijkt iedereen naar de baby, o wat zijn ze blij
En als ik nu iets zeg of roep of gil
dan zeggen ze: Ssst, kleine man, nu even stil

Maar kijk eens wat ik allemaal kan, ik doe een dansje, zie dat dan
En ik zing een lied, ik schreeuw zo hard ik kan
Kijk eens even naar de kleine man
Kijk eens even naar de kleine man

Mijn papa zegt: Nu ben je de grote broer
maar eerlijk gezegd interesseert me dat geen moer
En mijn zusje krijgt cadeautjes bij de vleet
maar zo te zien interesseert haar dat helemaal niets

Kijk eens wat ik allemaal kan, ik bouw een toren, zie dat dan
En ik gooi met blokken, ik smijt zo hard ik kan
Kijk eens even naar de kleine man
Kijk eens even naar de kleine man

Oma zegt: Nu heb je iemand om mee te spelen
maar ik zit me hier onnoemelijk te vervelen
Opa zegt: Jouw zusje is een snoes
maar ik had liever twee hondjes, of zo’n hele lieve poes

Wat iedereen eraan vindt, geen idee
Ooit was ik nummer één, nu ben ik nummer twee
M’n zusje kan alleen maar poepen, en dan is iedereen blij voor tien
maar dat kan ik veel beter, en dat zal ik ze laten zien

Kijk eens wat ik allemaal kan, ik laat me vallen, zie dat dan
En ik schreeuw een lied, ik beklieder het behang
Maar ik ben nog altijd jullie lieve kleine man
Toch?
Ik ben nog altijd jullie lieve kleine man
Ik ben nog altijd jullie lieve kleine man

Land aon de grens

D’r zien zoveul plekskes waor je goed laeve kun
toch is er maor één plek waor ik werkelijk thuus bun
Misschien niet bijzonder, of erg interessant
toch bun ik gelukkig op dit stukske land

As kiend wist ik ’t al: dit is mien stek
bi-j d’n Eltense bölt, die magische plek
De velden, ‘t waoter, de torentjes van Spiek
en de Rien stroomt er veilig achter d’n diek

Land aon de grens, land aon de grens
hier bun ik thuus in dit land aon de grens
Land aon de grens, land aon de grens
hier bun ik thuus, alles naor wens

Mien familie woont hier, ik kom hier vandaon
het zou mien spieten, a’k ooit weg moes gaon
Minsen zonder thuus, die doen mien zo’n leed
‘t gevuul dat ik heb, dat kenne ze niet

En a’k now gao laope, bi-j d’n kerk, op d’n diek
dan zie ik heuvels, waor ik ok kiek
Ik zie de Reichswald en de Veluwezoom
het vuult zo bijzonder, al liek ’t gewoon

Land aon de grens…

“Alles naor wens” klink misschien veuls te mooi
a’k toch zie hoe dit land steeds meer wöd ve’knooid
Kantoren, A15, de Betuwelijn, “Ach, het zal de vooruitgang wel zijn”

Maor terug van vakantie, bun ik nog steeds bli-j,
wanneer ik de brug van Emmerich op ri-j
‘t Land aon ’t waoter, bi-j d’n Eltense bölt
Daor he’k mien veur altied ’t hart aon ve’spöld

Mien hart is niet van gold

De bluumkes die ik pluk zien veur ow
de sterren die ik zie gun ik ow
al ‘t moois wens ik veur ow
Ik bun maor gewoon een man
die doet wat ie kan, veur ow

Ik bun geen prins, ik heb gin wit paerd
nee ok niet in de gang

Mien hart is niet van gold
Mien hart is ok niet van steen
Mien hart klopt veur ow

Gi-j vraog mien: wie bun ik veur ow
en wie bun gi-j veur mien
wie zien wi-j veur elkaor
Mien woorden, ik waeg ze op een schaal
Maor ze klinken zo banaal
Wat kan ik zeggen taegen ow

Al mien woorden klinken stom
a’s ik al uut mien woorden kom

Mien hart is niet van gold…

Negentien

Hij was een flinke kerel, van amper negentien
toen hij plots dat meisje zag, zo mooi, nog nooit gezien
Krullend haar, ravenzwart, hij verloor meteen zijn hart
en dat sproetje in haar nek, dat maakt hem stapelgek

Blozend liep naar haar toe, hij wist: dit is mijn kans
en met zijn laatste beetje moed vroeg hij haar toen ten dans
Krullend haar, ravenzwart, hij verloor meteen zijn hart
en dat sproetje in haar nek, dat maakt hem stapelgek

Die dans, er kwam geen einde aan, ze vormden een mooi paar
samen door het leven, ze horen bij elkaar
Krullend haar, iets minder zwart, maar hij verliest nog steeds zijn hart
en dat sproetje in haar nek, dat maakt hem stapelgek

Het leven heeft zijn streken, de tijd die doet zijn werk
samen door de dalen, maar samen zijn ze sterk
Krullend haar, langzaam grijs, ‘t maakt hem nog steeds van de wijs
en dat sproetje in haar nek, dat maakt hem stapelgek

De dagen gaan steeds sneller, de herfst van het bestaan
De jaren zijn verstreken, de winter komt er aan
Krullend haar, bijna wit, een vrouw waar nog steeds pit in zit
en dat sproetje in haar nek, dat maakt hem stapelgek

En nu staat hij aan haar graf, hij denkt aan alles wat ze hem gaf
Hij noemt zacht haar naam, lief, ik kom er ook zo aan
En als hij heel stil aan haar denkt, dan kan hij haar bijna zien
en als hij aan dat sproetje denkt, dan is hij weer negentien

Krullend haar, ravenzwart, hij verloor meteen zijn hart
en dat sproetje in haar nek, dat maakt hem stapelgek

Nooit ver weg

Ik weet dat je alleen bent, zo voelt het voor jou
zelfs onder de mensen een eenzame vrouw
Er hangt een stilte, er hangt een stilte om je heen
Je zwijgen gaat door merg en been

Maar strek je armen uit, ik ben hier
Ik ben nooit ver weg, ik ben hier
En ik geef je wat warmte, in al mijn gedachten
in al mijn gedachten aan jou
Ik sla in gedachten mijn armen om jou

En je voelt je zo kwetsbaar nu, dat is wat je zei
Je kroop uit je schulp maar je voelt je niet vrij
Soms heb je geen keuze, geen beker om voorbij te laten gaan
en word je gedwongen een weg in te slaan

Maar strek je armen uit, ik ben hier
Ik ben nooit ver weg, ik ben hier
En ik geef je wat warmte, in al mijn gedachten
in al mijn gedachten aan jou
Ik sla in gedachten mijn armen om jou

Rivier

De zon die schient, wi-j zitten bi-j de rivier
daorbaoven op d’n diek
waor de schepen gaon
waor ’t waoter stroomt, langzaam naor de zee

Wi-j daelen onze dag, ons geluk en ons gelach
Wi-j kieken naor de lucht, naor de wolken in hun vlucht
Een vroege bij die zoemt zien lentemelodie
a’s ‘t perfecte lied bij weer zo’n mooie dag

En a’j mien soms niet ziet, dan bun ik bi-j de rivier
daorbaoven op d’n diek
waor de schepen gaon
waor ’t waoter stroomt, langzaam naor de zee

‘k Vuul mien a’s een jonge jong, ik heur de wiend, ik vuul de zon
Een zwaluw vliegt aover het land, ik vuul ow hand zacht in mien hand
D’n aovond kump t’r aon, bi-jna tied um weer te gaon
En ik kiek dankbaar terug op weer zo’n mooie dag

En a’k ter niet meer bun, zuuk mien bi-j ’n rivier
baovenop ’n diek
waor de schepen gaon
waor ’t waoter stroomt, langzaam naor de zee

Waor de schepen gaon
waor ’t waoter stroomt, langzaam naor de zee

Schuilen voor de wind

Verkeerde plaats, verkeerde tijd
ik ben hier al zo vaak geweest
Men kijkt naar mij alsof ik een vreemde ben
Verkeerde gast, verkeerde feest

Waar is een plek waar ik schuilen kan
waar ik kan schuilen voor de wind
de wind die mijn leven omver blaast
Ik wil schuilen, schuilen voor de wind

En nu sta ik hier, ik sta hier aan de rand
ik ben hier al zo vaak geweest
Ik neem afstand, ik wil niet terug
ik kan niet terug, die tijd is geweest

Waar is een plek waar ik schuilen kan
waar ik kan schuilen voor de wind
de wind die mijn leven omver blaast
Ik wil schuilen, schuilen voor de wind

Waar is een plek waar ik huilen kan
waar ik kan huilen als de wind
de wind, die mijn leven omver blaast
Ik wil schuilen, schuilen voor de wind
Huilen, huilen als de wind

Rosalien

Rosalien, Rosalien, Rosalien, ik hed ow zo lang niet gezien
Rosalien, Rosalien, a’k ow lang nie’ zie dan duut mien hart ’n bietje pien
Rosalien, Rosalien, a’k ow dan weer zie dan bun ik bli-j
Rosalien, Rosalien, deerntje, was gi-j maor van mien

Wil gi-j met mien dansen, zondag in de stad
veur ow draog ik mien allerni-jste kleren
Ik hed de schoenen al gepoetst, de tanden he’k geflost
veur ow zal ik mien netjes scheren
En ik drink niet te veul, da’ belaof ik ow
en nao ’t bal bring ik ow weer naor huus
Dus, lieve Rosalien, wil gi-j met mien dansen
maor asteblief laot ow kaerl lekker thuus

Rosalien…

Dansen gaon met ow liek mien ’t mooiste wat er is
dan vergaet ik hopelijk mien malaise
bi-j de veleta of de quick step, de zwoele cha cha cha
desnoods de tweemanspolonaise
Oh a’s ik an ow dink, dan springt mien hart ’n bietje op
en da’ gi-j blaoge hed, da’ mik mien gaar niks uut
Dus, lieve Rosalien, wil gi-j met mien dansen
maor asteblief laot ow kaerl lekker thuus

Rosalien…

Spiek

Mijn opa was eenkennig, soms flegmatiek
En oma: ongedurig, nieuwsgierig, energiek
Twee mensen zo verschillend, zo uniek
Ze deelden hun leven daar net buiten Spiek

Alles gedeeld wat je maar delen kan
Je lijf, je leven, vrouw en man
Ze kenden elkaar zo door en door
verknocht aan elkaar, zo komt het zelden voor

Die blik, dat lachje, dat kleine gebaar
Die streling, het gekibbel, de geur van sigaar
Zo lang samen, zo vertrouwd, samen jong en samen oud

Crisis, oorlog, woningnood
Dankbaar steeds weer voor het dagelijks brood
Het dagelijks brood dat zo dun was belegd
Strijd om te leven, een dagelijks gevecht

De tijden werden beter, er kwam AOW
Ze hadden niet veel, maar ook alles met z’n twee
Innig tevreden met bijna niets
Zie ze daar gaan, die twee op de fiets

Die blik, dat lachje, dat kleine gebaar…

En toen opa stierf ging het leven gewoon door
Oma deed haar best, ze ging er ook voor
Maar niets, niets zou hetzelfde meer zijn
“Ik mis je zo, het doet zo’n pijn”

Oma leeft weer in het land van haar jeugd
Een land waar opa geen plaats meer in heeft
Zijn naam vergeten, zijn gezicht en zijn stem
Ik denk soms: haar geest is misschien al bij hem

Stap veur stap

Gi-j maok ow los, stap veur stap
Veur ow geet ’t langzaomaon, veur mien geet ‘t veuls te rap
Ideeën he’j meer dan zat, gi-j wil op ow eigen benen staon
en ik wit wel dat het goed is, dat het zo mot gaon

Gi-j kies ow eigen weg, gi-j trek alles uut de kast
Gi-j volg ow eigen plan, zoa’s dat bi-j ow past
En ik laot ow niet vallen, maor ik hou ow ok nie vast

Ow eerste kleine stepkes, die dee’j gi-j aon mien hand
en ik was zo trots op ow, en gi-j was zo verschrikkelijk bi-jdehand
En nu ren gi-j veurop, en ik, ik sjoks er wat achteraon
Hoe kon ik toen waeten dat de tied zo snel zou gaon

Gi-j kies ow eigen weg…

En a’s ‘t ow ooit ‘s tegen zou zitten
a’s er een storm zou komen raozen rond ow huus
a’s de grond onder ow vuute weg zou zinken
dan wit gi-j: gi-j vin bi-j mien altied een thuus

Gi-j kies ow eigen weg…

Stap voor stap

Je maakt je los, stap voor stap
Voor jou gaat het geleidelijk, voor mij gaat het veel te rap
Ideeën heb jij genoeg, je wilt op je eigen benen staan
ik weet wel dat het goed is, dat het zo moet gaan

Je kiest je eigen weg, je trekt alles uit de kast
Je volgt je eigen plan, zoals dat bij jou past
En ik laat je niet vallen, maar ik hou je ook niet vast

Je eerste kleine stap, die deed jij aan mijn hand
Ik was zo trots op jou, en jij was zo verschrikkelijk bijdehand
En nu ren jij voorop, ik sjok er wat achteraan
Hoe kon ik toen weten dat de tijd zo snel zou gaan

Je kiest je eigen weg…

En als het je ooit eens tegen zou zitten
Als er een storm zou komen razen rond jouw huis
Als de grond onder je voeten weg zou zinken
Dan weet je: je vindt bij mij altijd een thuis

Je kiest je eigen weg…

Tussen nu en nooit

Ik leef met een droom, met onvervulde wensen
ik leef met hoop in mijn hart
Hoe donker de nacht, hoe duister de wegen
ik weet dat ik je vinden zal
tussen nu en nooit
Ooit

En ik weet dat jij daar bent
in die zee van mensen
Ik weet dat je ergens op me wacht
En als ik je zie dan zal ik je herkennen
ik weet dat ik je vinden zal
tussen nu en nooit
Ooit

Tussen nu en nooit
daar ligt een onvervuld verlangen
Tussen nu en nooit
een honger die niet is gestild
Tussen nu en nooit
daar zal ik je omarmen
Tussen nu en nooit
Ooit

Geen afstand is te groot
geen taal te onbekend
Geen brug te ver
geen zee te hoog
En als je me ziet dan zul je me herkennen
Ik weet dat jij me vinden zult
tussen nu en nooit
Ooit

Tussen nu en nooit
daar ligt een onvervuld verlangen
Tussen nu en nooit
een honger die niet is gestild
Tussen nu en nooit
daar zal ik je omarmen
Tussen nu en nooit
Ooit

Vergaet mien niet a’s ik weg bun

Vergaet mien niet a’s ik weg bun, ik kom bi-j ow terug

Het liefste zou ik blieven, maor dat is niet ‘t plan
Baeter nou vertrekken, nu het nog kan
Maor ik kom weer bi-j ow t’rug, daor ku’j van op an
Dus vergaet mien niet, a’s ik gao

Vergaet mien niet a’s ik weg bun, ik kom bi-j ow terug

A’s ik mijn ogen sluut, dan zie ik ow staon
D’n afstand mik niks uut, hoe ver ok hier vandaon
Maar zie gi-j mien ok, a’s gi-j ow ogen sluut
Of bun gi-j mien gezicht al kwiet

Vergaet mien niet a’s ik weg bun, ik kom bi-j ow terug

Kan het zien dat in mijn dromen
alles mooier liek dan het is
Öm daor achter te komen
mot ik snel naor ow terug

Vergaet mien niet a’s ik weg bun, ik kom bi-j ow terug

Zwak, ziek en misselijk

Voordat ik je kende leek alles oké
Ik leefde mijn leven, ik was best tevree
maar sinds ik je ken
lijkt niets meer op wat het was
Nu ik je ken, nu begint mijn leven pas
En ik voel me ogenblikkelijk
zwak, ziek en misselijk zonder jou

Jij bent mijn Grietje, ik ben jouw Hans
Mijn leven krijgt een nieuwe glans
Sinds ik je ken is mijn leven dubbel fraai
Met jou naar Zandvoort
is als een zomer op Hawaï
En ik voel me ogenblikkelijk
zwak, ziek en misselijk zonder jou

Ik ben jouw dar, jij bent mijn koningin
Ik ben in de war maar ik heb overal zin in
Jij bent mijn hemel, oh jij bent mijn paradijs
Met jou naar Heerlen
is als een reisje naar Parijs
En ik voel me ogenblikkelijk
zwak, ziek en misselijk zonder jou

De zomers zijn heter
de winters zijn kouwer
Mijn leven kan niet beter
de hemel is blauwer
En ik voel me ogenblikkelijk
zwak, ziek en misselijk zonder jou